Freeriden is hot in de Lage Landen. Het duurde even voor de trend vanuit de States en Canada via Scandinavië de Alpen bereikte, maar inmiddels ruilen ook veel Nederlandse skiërs hun carvelatten om voor brede poederbakken. Bij freeriden hoort niet alleen een andere techniek en eigen lifestyle, maar het vergt ook kennis en wijsheid om op een verantwoorde manier in de poeder te duiken. In deel 1 zijn al de basics betreffende ‘SnowSafety for Dummies’ behandeld. In dit artikel gaan we dieper op de materie in en benoemen we de valkuilen.

Tekst: Sjoerd Remmelink. Beeld: Sjoerd Remmelink/Powderplay

Je zult offpiste niet zo snel overhoop geskied worden door een Hermann Maier-lookalike. Maar naast lawinegevaar zijn er wel tal van andere risico’s als je de piste verlaat. Zo kun je verdwalen, jezelf blesseren bij een val, vast komen te zitten in een dal, in tijdsnood komen, materiaalpech krijgen of uitgeput raken. Maar ook rotsen, bomen, afgronden, ijsplaten, sharks (scherpe rotspunten onder het sneeuwoppervlak) en gletsjerspleten kunnen je avontuur wreed verstoren. En in Alaska of op Spitsbergen in Noorwegen loop je nog wel eens een beer tegen het lijf met een bruine of witte jas aan. Het kan dan wel eens lang duren als je de bergredding belt, als je überhaupt bereik hebt. Je bent dus op jezelf en je skimaten aangewezen. Een goede voorbereiding is bij freeriden dan ook zeer aan te bevelen. Vooraf kun je aan je fysieke skills werken om nog een extra poederrun te kunnen pakken als sommige vrienden al aan de ‘heisse schoko’ zitten. Bovendien heb je overcapaciteit nodig in noodsituaties. Een goede techniek is dan van essentieel belang. Verder is het belangrijk om je materiaal goed op orde te hebben. Een combinatie van pieper/schep/sonde en een stevige backpack met goede skibevestiging zijn onmisbaar. Adequate freerideski’s, -bindingen en stokken met een grote schotel zijn een ‘must have’ in de poeder, evenals technische (onder)kleding. Een extra goggle is sterk aan te bevelen en een helm is ook geen overbodige luxe. Tenslotte is kennis en ervaring van doorslaggevend belang. Als je niet weet hoe je pieper werkt heeft het zoeken ermee weinig zin, zelfs professionals oefenen hier regelmatig in. Inzicht in het ontstaan van lawines is een complexe materie. Je kunt op vele manieren meer kennis vergaren, maar je leert verreweg het meest als je die kennis in praktijk toepast en er bewust mee omgaat. Kennis is niet meer dan een hulpmiddel bij het nemen van belangrijke beslissingen. Het gaat er tenslotte om hoe je kan voorkomen dat je door een lawine gepakt wordt.

In een lawine terecht komen is niet simpelweg een kwestie van pech. Lawines ontstaan om een bepaalde reden, op een bepaalde plek en op een bepaalde tijd. Als je de kennis, de vaardigheid en de wijsheid bezit, kun je toch relatief safe freeriden; je bepaalt dan zelf hoeveel risico je wilt lopen. Eén ding is duidelijk: freeriden blijft een risicosport, maar je kunt je risico beperken tot die van een bergwandeling. Er zijn diverse strategieën die je helpen je beslissingen te onderbouwen, zoals de Zwitserse ‘Reductiemethode’, de Duitse ‘Snowcard’ of de Oostenrijkse ‘Stop or Go’. Indien je één van de methodes aanwendt ben je al een stuk safer aan het freeriden. Hierin zit tevens de valkuil: veel gebruikers staren zich suf op de kaart, rekenen de beslissing tot in de puntjes door, maar gaan toch de fout in. Dit zit hem bijna altijd in foutieve waarneming of beoordeling. Het begint al met een lawinebericht in een taal die je niet perfect beheerst, vergeten de berg in je op te nemen tijdens liftgebruik, een verkeerde inschatting van de hellingshoek, expositie of hoeveelheid verse sneeuw, over het hoofd zien van de uitloop van andere mogelijke lawines, afbuigen van de windrichting door de bergen, veranderende weersomstandigheden, ruis in de communicatie met je skimaten, fouten in de oriëntering, en zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Met andere woorden: na het doen van een cursusje ben je je wellicht bewust van de gevaren en leer je methodes om deze te reduceren, maar de juiste omgang daarmee vergt veel, heel veel ervaring. In deze periode ben je vooral in zeer beperkt terrein op pad en loop je nog steeds risico’s omdat je nog veel fouten maakt. Het is juist dan sterk aan te raden om met een gids op pad te gaan. Gedurende je leerproces heb je steeds een expert die zijn beslissingen met je deelt en je behoedt voor fouten. Het grootste probleem is namelijk dat je weliswaar door ervaring deskundig wordt, maar dat slechts de helft van de lawineslachtoffers dit kan navertellen.

Er zijn twee soorten lawines: die met ongebonden sneeuw (nat of droog) en die met gebonden sneeuw. Daar waar de eerstgenoemde soort vaak uit zichzelf naar beneden komt na sneeuwval (droog) of hoge temperaturen (nat) wordt gebonden sneeuw vaak in de vorm van een plaatlawine door mensen zelf getriggerd. Deze worden daarom ook wel skiërlawines genoemd, dit zijn de meest gevaarlijke lawines voor freeriders. Een plaatlawine heeft altijd vier ingrediënten: een steile helling, een gebonden sneeuwlaag, een labiele tussenlaag en een trigger. De meeste lawines vinden plaats op een helling met een steilheid van tussen de 30 en 45 graden. Helaas is dit tevens de hellingshoek die ons freeriders de meeste uitdaging biedt.

Alle strategieën hebben het lawinebericht als basis. Diverse weergegevens worden dagelijks in relatie gebracht met de opbouw van de sneeuwlaag, waaruit vervolgens een beoordeling van het lawinegevaar wordt afgeleid voor een bepaalde regio. Het cijfer geeft het risico aan van gering (1) tot zeer groot (5). In praktijk zijn de gevarentreden, de gevaarlijke plekken en de oorzaken van het gevaar van belang. Daarbij worden concreet terreinvorm, expositie en hoogtebegrenzing genoemd die op deze dag bijzondere aandacht vragen. Samen met het temperatuurverloop, de windrichting en de zoninstraling biedt dit een goede houvast voor de planning van je freeride-avonturen, al zul je toch altijd opnieuw moeten oordelen op basis van de lokale omstandigheden. Dit vergt natuurlijk wel veel kennis en ervaring.

De hellingshoek die je nog ‘safe’ kunt rijden staat in directe relatie tot het lawinebericht. Bij lawinetrede 1 is het lawinegevaar nihil, er is vaak al een lange tijd geen sneeuw meer gevallen. Dat neemt niet weg dat een val op een 45 graden helling je tot in het dal kan laten afglijden, met allerlei nare obstakels onderweg. Leuk freeriden begint vaak bij trede 2. Het aantal gevaarlijke plekken/hotspots is goed te overzien en maakt rijden van hellingen tot 40 graden mogelijk indien de omstandigheden het toelaten. Toch gebeuren hier relatief veel lawineongelukken omdat velen zich veilig wanen bij 2.

Onder gunstige omstandigheden kun je onder de 35 graden fantastisch freeriden. Trede 4 betekent voor de meeste freeriders een ‘no go’. Met kennis op gidsenniveau zijn tussen al het lawinegevaarlijke terrein bij gunstige omstandigheden nog wel mogelijkheden te vinden onder de 30 graden. Veel vlakker mag het echter ook niet worden anders rijd je je onherroepelijk vast. Bij 5 wordt het piste of park. En omdat je daar soms ook niet veilig bent wordt het skigebied vaak gesloten.

De steilheid meet je vooraf bij de planning door een gradenmeter (lineaal of kaart) langs je Alpineof Alpenvereinskarte (1:25.000) te leggen. De hoogtelijnen geven de steilheid aan. Zo stippel je een veilige route uit, waarbij het steilste deel onder de maximumwaarde blijft die het lawinebericht mogelijk maakt. Natuurlijk houd je dan ook rekening met het uitloopbereik van potentiële andere lawines. Lokaal kun je met een inclinometer (hellingshoekmeter) nog eens nameten of de gewenste flank inderdaad de berekende steilheid heeft. Indien je niet zeker bent van je zaak verdient het de aanbeveling om vijf graden minder steil te kiezen dan maximum. Kleine foutjes worden zo minder snel afgestraft.

We hebben het steeds over gunstige omstandigheden. Bij een halve meter verse sneeuw kun je onder gunstige omstandigheden (geen wind, ononderbroken sneeuwval over een lange periode, stabiele temperaturen) vaak superieur freeriden. De fluffy sneeuw is nog niet gebonden en zal dus niet zo snel als lawine naar beneden komen. Helaas zijn de omstandigheden vaak niet gunstig.

Wind gooit meestal roet in het eten bij verse pow. Ze drukt de vers gevallen sneeuwlaag in elkaar waardoor deze gebonden wordt. Tevens wordt veel sneeuw door de wind verplaatst, deze sneeuw noemen we ‘Triebschnee’. In de lucht botsen sneeuwkristallen, waardoor deze hun hexagonale vorm verliezen en minder goed binden met de sneeuwoppervlakte. Bovendien droogt de koude lucht de sneeuwkristallen uit (vriesdroogeffect), nog een reden voor slechte binding met het sneeuwdek. Het mag duidelijk zijn, waar Triebschnee is wil jij niet zijn! Althans niet op hellingshoeken waar de spanning te groot wordt.

Hoe herken je deze plekken dan? Eerst moet je weten dat Triebschnee blijft liggen op plekken waar de wind geen vat op heeft. Dit is aan de lijzijde van bergtoppen, kammen, zadels, ruggen en heuvels. Maar ook in couloirs, rivierbeddingen en kommen hoopt zich veel Triebschnee op. Als je de windrichting weet waaruit de sneeuw is verplaatst, dan kun je daaruit prima concluderen waar deze zich heeft opgehoopt. Vaak zie je sneeuwpluimen op de top, maar ook het sneeuwdek zelf verraadt de richting met windlips, -kolken, duinen en zastrugi (windkanalen/randen). Linker wordt het als hier weer een mooi laagje sneeuw over valt. De windrichting van de onderliggende sneeuw is niet meer goed waarneembaar, maar het gevaar van diens Triebschnee is er nier minder om. Dit is een reden om je te verdiepen in de voorafgaande weerperiode. Vaak kun je oude lawineberichten opvragen. Ook gesprekken met lokale gidsen of de lokale lawinedienst leveren bruikbare informatie op.

Naast wind zijn er nog tal van andere factoren die het lawinegevaar beïnvloeden. De expositie van de berg speelt een belangrijke rol. Verreweg de meeste lawineongelukken vinden plaats op de noordelijke helft. Hiervoor zijn twee redenen. Het lawinegevaar (maar ook de sneeuwkwaliteit en dus de freeridemogelijkheid) blijft langer geconserveerd. Een bijkomend nadeel is het grote temperatuurverschil tussen bodem en buitenlucht. Dit kan zomaar een verschil van twintig graden zijn in het hooggebergte. Door dit temperatuurverschil vormen zich kantige sneeuwkristallen met een zeer slechte binding. Dit proces wordt ook wel opbouwende metamorfose genoemd. De sneeuw die hierop valt kan makkelijk getriggerd worden, deze zogenoemde ‘Schwimmschnee’ fungeert als een laag van kogellagers.

Op de zuidzijde vindt door de zoninstraling juist vooral een snelle veroudering van de sneeuwlaag plaats (afbouwende metamorfose). Door het opvriezen ‘s nachts stabiliseert de sneeuwlaag. Het lawinegevaar neemt af. In warme periodes (voorjaar) gaat dit niet op. De sneeuwlaag warmt gedurende de dag zo snel op dat de stabiliteit verloren gaat en de sneeuw uiteindelijk in de vorm van ongebonden natte lawines naar beneden kan komen.

Ook de ondergrond heeft invloed op het lawinegevaar. Je kunt je voorstellen dat een sappig alpenweitje of een gladde leisteenformatie niet erg veel weerstand kan bieden aan een zware sneeuwlaag. Met een regenbui er overheen zijn grondlawines waarschijnlijk. Een sterk oneffen ondergrond biedt dan meer houvast. Hetzelfde geldt eigenlijk ook voor tussenlagen in de sneeuw. Hellingen die vaak bereden worden zullen na sneeuwval minder snel als labiele glijlaag fungeren dan afgelegen minder populaire flanken.

Door bewust waarnemen kun je veel problemen voorkomen. Scheuren zien die ontstaan in het sneeuwdek, zettinggeluiden horen en voelen, spontane lawines die je hoort en ziet in de buurt van jouw terrein, een snel optrekkende mist, een naderend onweer; het zijn allemaal redenen om je tocht af te breken, aan te passen of zo snel mogelijk een veilig heenkomen te zoeken. De belangrijkste factor die het lawinegevaar kan beïnvloeden ben je echter zelf. Door groepsdynamische processen worden vaak grotere risico’s geaccepteerd of belangrijke stimuli over het hoofd gezien of genegeerd. Dit is een thema op zich en hier wijd ik graag een volgend artikel aan.

Wil je meer kennis vergaren dan kun je een freerideweek boeken of een lawinecursus doen. Indien je al kennis hebt is een backcountry-skitrip absoluut aan te raden. Check www.powderplay.nl. De focus ligt dan niet meer hoofdzakelijk op leren, maar vooral op het toepassen en rijden op de meest fantastische plekken en spannende routes. De gids daagt je uit je grenzen te verleggen, maar houdt altijd de eindverantwoordelijkheid.